De rekensommen van veel journalisten zijn onduidelijk, en ik kan niet tegen onduidelijkheid – Henk Geuverink

Al jaren erger ik mij aan een veel voorkomend taalgebruik van journalisten en anderen. Dat het nu ook al steeds meer voorkomt bij wetenschapsjournalisten van exacte vakgebieden doet me in de pen klimmen. Waarover maak ik mij druk? Nou, ik kan niet tegen onduidelijkheid. Als wiskundige mag ik verwachten dat de rekenkunde niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Wij leven in een tijdsgewricht waarin waarheid en leugen met elkaar strijd voeren. Ik ben een hartstochtelijke voorstander van het eerste en vrees dat we een barre tijd tegemoet gaan.

Het gaat om de uitdrukkingen ‘5 keer meer’ versus ‘5 keer zoveel’. In het voortreffelijke stuk van Maarten Keulemans (‘Klopt dat wel?’, de Volkskrant, 20 november) werd uitgerekend dat de energie van de meteoriet die in de prehistorie bij Groenland neerkwam, overeenkwam met die van 47,8 miljoen atoombommen (van Hiroshima). In een eerder stuk (Ten eerste, 15 november) stond dat de energie overeenkwam met wel 5 miljoen atoombommen. En nu de conclusie: Maarten Keulemans stelde ‘Het waren er haast tien keer meer’ en ik zou gesteld hebben ‘Het waren er haast tien keer zoveel’.

In dezelfde krant van 20 november stond boven het artikel over ABN Amro van Koen Haegens ‘vijf keer kleiner’ terwijl ik daar liever had zien staan ‘vijf keer zo klein’.

Laat ik het eenvoudig uitleggen. We gaan uit van het getal 2. Als iemand zegt dat het nieuwe getal 10 keer meer is, dan weet ik niet wat bedoeld wordt, 20 of 22; immers het ‘meer’ suggereert een som ‘erbij’ en ‘keer’ is een vermenigvuldiging. Ik denk dat verreweg de meesten die de onduidelijke uitdrukking gebruiken 20 bedoelen! Dat misverstand is er bij ‘mijn’ taalgebruik niet.

Bovendien, als ik de reeks getallen 2, 3, 4, 5, 6, 7 bekijk, dan is er, uitgaande van het oorspronkelijke getal 2, vijf keer een getal neergezet dat meer is (dan het voorgaande getal) en zo kom je uit op 7, wat niemand zal bedoelen met ‘vijf keer meer’!

Cash en de BVD – Hans Grootmeijer

Cashgeld verdwijnt uit het dagelijks ­verkeer. Deze ontwikkeling begon eind jaren zestig, toen veel werknemers hun salaris niet meer in een loonzakje uit­betaald kregen, maar op hun girorekening. Zo niet de medewerkers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), mijn toenmalige werkgever. De interne beveiliging had bedacht dat als de salarissen van de medewerkers giraal zouden worden overgemaakt, de ‘tegen- stander’ (toen vooral de Sovjet-Unie) wel eens achter de namen van die medewerkers zou kunnen komen. Geen idee hoe (computers bestonden nog niet, laat staan internet met de huidige hackmogelijkheden). Maar wie weet, misschien zou de tegenstander erin kunnen slagen iemand van de Postcheque- en Girodienst te rekruteren om namenlijsten te laten kopiëren…

Het resultaat was dat veel BVD-medewerkers iedere maand op het kantoor aan de President Kennedylaan in Den Haag in de rij stonden om hun gevulde loonzakje in ontvangst te nemen om zich vervolgens in de lunchpauze naar het postkantoor twee straten verderop te spoeden. Daar stonden ze weer in de rij en stortten ze het zojuist ontvangen salaris op hun girorekening.

Stond de tegenstander met een fototoestel in de hand om de BVD-medewerkers bij het postkantoor te fotograferen? Stond er iemand onopvallend bij het ­loket om wat namen op te vangen? Was er een medewerker van het postkantoor gerekruteerd? Geen idee, maar het had wel wat om staande in die rij te kijken of wij mogelijke tegenstanders konden identificeren. Immers, een aantal van hen kenden wij wel; zij stonden op de foto’s die wij maakten bij hun ambassades.

Boodschappenbootcamp met Teun van de Keuken – Melle Runderkamp en Simon Hendriksen

Kijk nou: maaltijdoplossingen.’ Teun van de Keuken wijst naar boven in een van de gangpaden. Samen staren we naar het bordje. ‘Hebben jullie daar ooit van gehoord, maaltijdoplossingen? Wat lossen ze op dan?’

Het is nog vroeg en we hebben ons antwoord eerlijk gezegd niet direct paraat. Misschien bedoelen ze iets wat ergens in oplost, en niet zozeer de oplossing van een probleem, proberen we voorzichtig, maar hij is al weer doorgelopen.

Een kwartiertje eerder waren we met onze gewaardeerde collega het spiksplinternieuwe filiaal van een grote kruidenier in Amsterdam-Oost binnengelopen. Want Van de Keuken, al sinds het tv-programma De Keuringsdienst van Waarde ’s lands officieuze nationale keurmeester, heeft een nieuw boek te verkopen. In De Supermarktsurvivalgids wijdt hij ons in in ‘de geheimen, trucs en verleidingen’ van het supermarktwezen en legt hij uit hoe je je moet voorbereiden om het van de geslepen marketingmachine te winnen. Hoe je zo snel mogelijk de grootgrutter kan doorkruisen, terwijl de winkel zelf er alles aan doet je binnen te houden. Vis, brood, zuivel, het wordt allemaal op de lopende band gelegd. Hoe lees je een etiket? Waarom kun je beter geen glimmende citroenen kopen? En wat is in hemelsnaam plakvlees?

Avocado’s knijpen

Nu zijn de Betrouwbare Mannetjes bijna net zo gek op Teun van de Keuken als op boodschappen doen, dus als we de twee kunnen combineren, grijpen we die kans met vier handen aan. Lekker, met zo’n enorme kar om op te leunen, rustig slenteren door de paden, kijken wat er allemaal in de bonus is, gratis kopje koffie, misschien zelfs een tweede (don’t mind if I do, meneer Heijn). Graag laten we de vakkenvuller helemaal tot de laatste meter met ons meelopen tot we recht voor de biologische eieren staan, neuriën we mee met Fleetwood Mac, en beantwoorden we de vraag of we het bonnetje willen uiteindelijk met een sublieme willekeur. Nee, inmiddels weten we feilloos de goede mango’s en avocado’s uit de schappen te halen, even knijpen, andere pakken, ook even knijpen. Even ruiken aan de meloen, er nog een pakken. Weer even ruiken, en die sowieso in de kar gooien, want anders gaan de mensen maar denken. Nee, je kunt ons nauwelijks een groter plezier doen.

Zo niet Van de Keuken. Die doet zijn boodschappen liever bij bakkers, slagers en groenteboeren. Vakmensen die je nog kunt vragen hoeveel kilo tuinbonen je nodig hebt voor vier personen. Hij houdt niet van de supermarkt: vervelende muziek, vervelend licht en vooral zo onoverzichtelijk. Hij komt er geregeld hoor, maar dan wel op z’n Van de Keukens. Stapje voor stapje ontleedt hij de machinerie. Zo’n heerlijke leunkar bijvoorbeeld, dat is helemaal verkeerd, leren we. Die ziet er al snel leeg uit, en dan ben je toch geneigd er wat extra in te gooien. Liever nemen we een mandje, dan voel je tenminste dat je kosten maakt.

Onrijp fruit

Koud zijn we het poortje door of Van de Keuken vervolgt – met in zijn hand wat op het eerste gezicht lijkt op een binnenstebuiten gekeerde Marqt-tas – zijn masterclass. De groente- en fruitafdeling staat niet zomaar aan het begin. Dan heb je als klant nog frisse moed, ben je vol goede voornemens. Dat veel fruit onrijp lijkt, dat klopt. Dat is het ook. Omdat iedereen de godganse tijd in al die vruchten zit te knijpen, moet de supermarkt het wel onrijp uitstallen, anders rot het weg terwijl je ernaar kijkt.

De methode Van de Keuken
Voor een snel en efficiënt supermarktbezoek

‘Ik neem altijd zo’n handige tas van Marqt mee, die draai ik binnenstebuiten zodat niemand ziet dat ik met een Marqt-tas loop. Daarna zet ik alle prikkels uit. Ik heb een koptelefoon op met mijn eigen muziek, pak een mandje en, misschien wel het allerbelangrijkste, ik heb een lijstje bij me. Wat muggenspray is voor de tropen, is het boodschappenlijstje voor de supermarkt. Anders koop je alleen maar dingen die je niet nodig hebt. Soms pak ik zelfs zo’n zelfscanner, en dan ga ik als een malle door de supermarkt.’

In een razend tempo sleurt Van de Keuken ons door de winkel, en niet zelden trekt hij iets uit de schappen om de verpakking te bestuderen. Een zak Bruine Bakkersbollen bijvoorbeeld: ‘Kijk, je moet volkoren nemen, anders is het gewoon witbrood dat is bijgekleurd. Met mout en zo. Hartstikke lekker hoor, witbrood. Maar je hebt er niks aan.’ Hij leest het etiket voor: ‘Tarwebloem, volkorentarwemeel…’

We proberen hem te onderbreken: wie loopt er in godsnaam zo door de supermarkt? Elk product omdraaiend, elke slogan in twijfel trekkend? Teun lijkt onverstoorbaar. ‘Maar hier heb je dus Biologische Meergranen Bakkersbollen. Dit ziet er helemaal ontzettend supergezond uit, vind je niet? En het is nog biologisch ook. Kijk: tarwemeel, water, gierst, pompoenpit, gluten… Maar geen volkorenmeel; dit is dus gewoon witbrood.’ Hij legt de bollen terug.

Permanent Pasen

‘Jullie vroegen wie loopt er zo rond? Nou, Ik loop er zo rond. Hebben jullie trouwens eieren nodig? Iedereen heeft altijd eieren nodig, en wat kun je nooit vinden? Dat doen ze expres. Het is hier permanent Pasen. Jij wilt zo snel mogelijk weg, zij laten je zoeken. Het is als een casino. Er zijn geen makkelijk zichtbare uitgangen, nergens klokken of ramen. Alles is erop ingericht om je zo lang mogelijk binnen te houden. Snap je?’

We snappen het wel, en toch krijgen we langzaamaan het idee dat niet iedereen ons hier zo lang mogelijk binnen wil houden. Argwanende blikken van medewerkers priemen in onze rug, en ook de repeterende zeurharmonie van Het regent zonnestralen van Acda en De Munnik begint aardig op de zenuwen te werken.

‘Laten we naar de ham gaan!’, roept Van de Keuken. We hadden het vermoedelijk nog nooit iemand horen zeggen, maar zo uit de mond van Teun klinkt ‘laten we naar de ham gaan’ als een meer dan aanstekelijk plan. ‘Hier, ‘Streeckgenoot’, met ck. En dan zo’n foto op de verpakking. We zijn daar ooit met de Keuringsdienst mee begonnen, met het stellen van simpele vragen als ‘Wie maakt het?’ en ‘Waar komt het eigenlijk vandaan?’ Nu zie je overal die foto’s. Op melkpakken, yoghurt, vleeswaren. Het geeft kennelijk een vertrouwd gevoel. Zo van: dit zijn onze boeren. Kijk deze nou, dat moet wel een betrouwbare man zijn, niet? Ik ben ooit op haminspuitles geweest. Wist je dat je een ham ongeveer twee keer zo groot kan maken? Spuiten ze hem helemaal vol met water. En dan stoppen ze er allemaal bindmiddel in. Zie je niks van. Voegen ze er een kunstmatige hamsmaak aan toe, die veel te veel naar ham smaakt. Echte ham smaakt veel minder naar ham. Kijk dit nou: ‘Geselecteerde Witlofham’. Je zou kunnen denken: dat vlees schrapen ze maar wat lukraak bij elkaar, maar nee hoor. Het is ‘geselecteerd’. Ingrediënten: 78 procent varkensvlees. Tweede ingrediënt: water. Daarom staat dus altijd je hele pan vol water als je spekjes bakt. Hier, Tostiham, 73 procent varkensvlees. Meer dan een kwart water! Dan krijg je dus letterlijk een natte tosti.’

Terwijl we ons best doen om hem bij te benen, worden we onderbroken door een man in pak, die geflankeerd wordt door een soort bewaker maar dan in een joggingbroek.

Man in pak: ‘Kan ik u ergens mee helpen?’

DBM: ‘Nee dank u, meneer.’

TvdK: ‘Ah, ja. Wel trouwens. U bent de manager?’

Manager: ‘Nee, ik ben de Teamleider.’

TvdK: ‘Teamleider! U moet ik net hebben. Kunt u mij vertellen wat maaltijdoplossingen zijn?’

Teamleider: ‘Ehm…Dit hier, dit zijn de maaltijdoplossingen.’

TvdK: ‘Dit zijn allemaal maaltijdoplossingen?’

Teamleider: ‘Ja.’

TvdK: ‘Hier staat dat dit authentieke vleesjus is. Wat maakt die precies authentiek?’

Teamleider: ‘Dat is de… oude jus. Volgens eeuwenoud recept.’

TvdK: ‘Oh ja? En waar hebben ze dat eeuwenoude recept gevonden dan?’

Teamleider: ‘Dat weet ik niet. Kan ik u verder nog ergens mee helpen?’

TvdK: ‘Nou nee, dan ga ik dit kopen denk ik. Eens kijken. Gerstemoutextract, gistextract, aroma, verdikkingsmiddel E410, E415, E418, maltodextrine. Inderdaad, zo maakte mijn oma dat ook altijd.’

Afleiding, verleiding en misleiding

Enigszins gegeneerd, maar verheugd dat we zojuist getuige waren van een reallife uitvoering van een vintage Van-de-Keukentelefoongesprek, besluiten we een bakje koffie te gaan drinken. Wonderwall van Oasis klinkt zachtjes over de intercom. Bij het apparaat lacht ‘huismelangeur André’ ons vanaf zijn bordkartonnen display tevreden toe. Als Teun de bekertjes voor ons heeft neergezet, en we de onhandige vakkenvuller die plots een paar meter verderop flessen wijn begint recht te zetten vriendelijk toeknikken, brandt hij los.

‘Deze koffie, dat is geen geste van de supermarkt. Die is om jou tot rust te manen. Net als zo’n kinderhoekje daar. Het is allemaal afleiding, verleiding en misleiding. Hierbinnen wordt er op allerlei manieren, zonder dat je er erg in hebt, druk op je uitgeoefend. Om dingen te kopen die je niet van plan was te kopen, en die anders zijn dan je denkt dat ze zijn. Ik vind de industrie ook wel inventief hoor. Daar kan ik heus van genieten. Het is alleen gek dat je op verpakkingen al die misleidende termen maar mag gebruiken en dat niemand zich afvraagt: ‘Met natuurlijke ingrediënten’, waar slaat dat eigenlijk op? Heineken, kwam laatst met ‘extra vers’ bier. En iets gebrouwen met oergist. Wat betekent dat in godsnaam?’

Liegen

‘Kijk, we hebben allemaal een associatie bij het woord ambachtelijk: er wordt met de hand gekneed, er is aandacht voor het proces, dat is allemaal heel populair, en terecht. Maar wat er dan gebeurt, is dat de grote bedrijven het na gaan doen, maar dan zonder die aandacht. Ze willen dus wel het imago, maar het niet zo maken. Ik vind het gek dat die bedrijven zich generen om daar open over te zijn. En als je ze vraagt naar hun onzin-terminologie dan antwoorden ze: ‘Ja, hé, doe niet zo flauw, dat is marketing.’ Dan zeggen ze dus eigenlijk: we hebben maar wat verzonnen, we liegen een beetje. Dat snap je toch wel, dat we liegen? Ik vind dat raar. En dan krijg je dus dit soort authentieke jus. Kijk, op het plaatje ziet het er al vies uit.’

De schaduwvakkenvuller lijkt helemaal vergeten dat hij moest doen alsof hij de flessen recht aan het zetten was, en staat inmiddels min of meer aan ons tafeltje mee te luisteren. Van de Keuken: ‘Kijk. Als er zo’n teamleider komt, dat ongemakkelijke, daar word ik echt gelukkig van. Maar het bewijst tegelijkertijd dat je in een supermarkt helemaal niemand een inhoudelijke vraag kunt stellen.’

Hij slaat zijn laatste slok Perla-melange achterover, en maant ons mee te komen. ‘Het is heus niet allemaal negatief hoor. Dit bijvoorbeeld. Is pindakaas, maar dan iets dunner. Echt topspul. 100% Pinda, heet het. En als je dan op het etiket kijkt wat erin zit: ‘Pinda.’ Meer niet. Schitterend toch?’ Voordat Van de Keuken het potje 100% Pinda weer terug in het schap heeft kunnen zetten, staan Teamleider en Joggingbroekman weer voor onze neus. Het heeft even geduurd, maar nu lijkt de maat echt vol. We zijn zo vriendelijk het filiaal te verlaten.

Eenmaal buiten snelt Teun er direct vandoor. Uitgeput laat hij ons achter. Een supermarktbezoek zal nooit meer hetzelfde zijn. Voortaan zullen we geen etiket onbelezen laten. En voortdurend op onze hoede zijn voor de ordinaire marketingsteksten van mannetjes die een verhaal net iets mooier maken dan het in werkelijkheid is, alleen maar om een nieuw product aan de man te brengen. Eerlijk is eerlijk, dankzij Teun van de Keuken stonden we sneller buiten dan ooit. Nu alleen nog even ergens boodschappen doen.

Met deze 6 tips houd je je inbox in bedwang: ‘Urgente e-mails bestaan niet’ – Jennie Barbier

De enorme hoeveelheid e-mails waar we dagelijks mee bestookt worden, zorgt bij veel mensen voor stress en onwelkome afleiding. Maar ermee stoppen? Dat is eigenlijk geen optie. Met deze tips krijg je die overstromende inbox weer onder controle.

 

Van alle verslavende techproducten die de moderne tijd heeft voortgebracht, steekt er één met kop en schouders boven uit. En nee, dat is niet Facebook of Instagram, maar hét oorspronkelijke sociale medium: e-mail. Een product ‘dat niemand leuk vindt, maar we kunnen niet ophouden het te gebruiken’, zoals Nir Eyal, auteur van Hooked: hoe je mensen ‘verslaafd’ maakt aan je product, het eerder dit jaar verwoordde in een interview met de Volkskrant.

‘E-mail heeft echt alles om je te bedwelmen en gaat voorlopig niet verdwijnen’, aldus Eyal. ‘Vooral de variabele beloning ervan: wat staat er in mijn inbox? Soms is het goed nieuws, soms slecht. Wie heeft me gemaild, wat staat erin? En het voelt productief, ook al is het dat niet. Het vóélt alsof je iets nuttigs aan het doen bent.’

Anno 2018 worden er zo’n 281 miljard e-mails per dag verzonden tussen 3,8 miljard gebruikers, becijferde het Amerikaanse onderzoeksbureau Radicati. En beide aantallen zullen blijven groeien. Je kunt je Facebookaccount verwijderen, WhatsApp van je smartphone gooien of een oude Nokia aanschaffen die je in één keer van alle mobiele internetfratsen verlost, maar stoppen met e-mail? Dat doet eigenlijk niemand. Deelnemen aan het internetverkeer is een stuk lastiger zonder digitaal postadres en op zakelijk gebied is het nog altijd de belangrijkste vorm van communicatie.

Ondertussen hebben de afgelopen jaren verschillende onderzoeken uitgewezen dat de constante stroom e-mails zorgt voor stress en afleiding. Vooral op de werkvloer is het voortdurend gestoord worden door binnenkomende berichten slecht voor de productiviteit. En een makkelijke uitvlucht tijdens een saaie klus: mails lezen en beantwoorden hoort immers óók bij werk, dus in zoverre het een afleiding is, is het er tenminste een die je kunt verantwoorden. Toch zul je aan het eind van de werkdag met een onvoldaan gevoel huiswaarts keren, jezelf afvragend wat je nou eigenlijk hebt gedaan die dag. Om ‘s avonds na het eten tóch nog even je mail te checken.

Dat moet anders kunnen. Met hulp van Richard Wolfe, oprichter van Email Handyman, en spreker en trainer Jelle Drijver, die cursussen slimmer werken organiseert, leren we je het e-mailmonster temmen met onderstaande tips.

1. Zet je meldingen uit

Als bij elke binnenkomende mail nog een deuntje klinkt, doe dan jezelf – en je nabije collega’s – een plezier en zet het uit. En die desktopnotificaties die onderin je scherm verschijnen ook, eigenlijk alle meldingen die je attenderen op binnenkomende mail.

‘Er is een cultuur rondom e-mailen ontstaan, waarin we ons bijna verplicht voelen direct te reageren’, zegt Richard Wolfe. Terwijl het medium meestal juist wordt gebruikt voor minder dringende communicatie. Uit dus, die meldingen – ook op je telefoon. Ga in plaats daarvan een paar keer per dag, als het kan op vaste momenten, door je inbox. Toch bang dat je iets urgents mist? Daar is Wolfe duidelijk over: ‘Urgente e-mails bestaan niet. Als het een spoedgeval is, bellen ze wel.’

In de meeste mailprogramma’s kun je trouwens instellen dat je van geselecteerde adressen wel een notificatie ontvangt, mocht je op een heel belangrijke mail wachten. Met een app als Pushover kun je op je smartphone hetzelfde doen. Of je kunt de afzender vragen om je een ouderwetse sms te sturen zodra de mail verstuurd is.

2. Zorg altijd voor een lege inbox

‘Een lege inbox is een leeg hoofd’, zegt Jelle Drijver. Geen toeval dat vrijwel alle e-mail-opruimmethodes werken met het zero-inboxbeleid. Het idee is dat je inbox alleen nog fungeert als verzamelplek voor binnenkomende, ongelezen mails en dat gelezen berichten netjes worden opgeruimd.

Veel mensen werken vanuit hun inbox, legt Wolfe uit. Logisch: daar vind je in één oogopslag al je projecten, uitstaande vragen, notulen, opdrachten en contacten bij elkaar. Maar met tientallen binnenkomende mails per dag stapelt de post zich op en kun je, net als in een overvolle kledingkast, al gauw niet meer zien wat er onder die bovenste stapel schuilgaat. Weg oogopslag.

Een uitpuilende inbox, zegt Wolfe, is ‘alsof je je bureau op een druk schoolplein hebt staan’. ‘Hier gebeurt wat, daar roepen mensen naar je en hé, is het al tijd om naar binnen te gaan? Zo kun je niet werken. Een lege inbox zorgt voor rust, zodat je je op je echte taken kunt focussen.’

3. Sorteer je mails op taken

Oké, een lege inbox dus, maar wat doe je dan met je berichten? Afhankelijk van welke e-mailgoeroe je raadpleegt, luidt het advies je mails te sorteren in drie, vier of vijf mappen gebaseerd op de taak die eraan verbonden is. Moet je nog iets met deze mail, ja of nee? En moet dat op korte of lange termijn?

Wolfe werkt in zijn trainingen met vier mappen: ‘doen deze week’, ‘later/misschien’, ‘wachten op’ en ‘bewaren’.  Bevat het bericht een vraag of verzoek dat je binnen twee minuten kunt afhandelen, dan doe je het meteen. Ja, de vergadering vrijdag gaat door; nee, ik ga niet mee met het bedrijfsuitje discobowlen. Als er meer tijd in gaat zitten, verplaats je de mail naar ‘doen deze week’, waar al je taken op een rij staan en je makkelijker prioriteiten kunt aanbrengen. Is het niet urgent, maar wil je er in de toekomst nog eens aan herinnerd worden, dan vindt het bericht een plek in ‘later/misschien’. En moet je eerst een actie van een ander afwachten, dan hoort het thuis in, je raadt het al, ‘wachten op’. Wat je hebt afgehandeld verplaats je naar de map ‘bewaren’ of naar je archief, en wat niet relevant is en geen belangrijke informatie bevat mag in de prullenbak.

Maar wat nou als je inbox op moment van aanvang meer dan vierduizend mails telt, zoals bij ondergetekende het geval was? Dan pas je wat Wolfe de ‘terug van vakantie’-aanpak noemt toe. Begin bovenaan, bij de meest recente mail, en werk de stapel door totdat je merkt dat je alleen nog aan het archiveren of verwijderen bent. Op dat punt ben je meestal al enkele weken in je mailhistorie afgedaald, dus de kans dat er nog urgente zaken tussen staan is niet zo groot – en anders ben je daar toch al te laat mee. Selecteer alle overgebleven mails en kieper de hele bups zó je archief in. Voilà: een lege inbox.

Nog sneller met sneltoetsen

‘Speedmailen’, heet de methode van Richard Wolfe en een belangrijke tip is dan ook om gebruik te maken van sneltoetsen. Waar die allemaal verstopt zitten, vind je door het vraagteken in te toetsen (oftewel shift + /). Heb je het een beetje onder de knie, dan kun je van mail naar mail springen, antwoorden verzenden en alles naar de juiste mapjes verplaatsen zonder je vingers van het toetsenbord te halen.

4. Pile, don’t file

Word je nerveus van het idee dat al je oude mailwisselingen, ongeacht onderwerp of afzender, in het archief op één grote hoop terechtkomen? Nergens voor nodig. De zoekfunctie van mailprogramma’s als Outlook en Gmail is tegenwoordig zo geavanceerd dat alles met de juiste termen terug te vinden is. Zelfs bijlagen worden doorzocht op steekwoorden.

‘Pile, don’t file’, is dan ook het adagium van Jelle Drijver; stapelen in plaats van sorteren. Het maken van e-mailmapjes op basis van onderwerp, bijvoorbeeld projecten of klanten, is ‘zonde van je tijd’, vindt Drijver. ‘Steek die tijd liever in het verbeteren van je zoekvaardigheden.’ Wie zweert bij zijn zorgvuldig gesorteerde themamappen moet zich afvragen hoe vaak die daadwerkelijk geopend worden om mails in terug te vinden. Is dat regelmatig, dan laat je ze lekker staan. Maar als ze liggen te verstoffen (en wees eerlijk, waarschijnlijk is dat zo), kan de inhoud net zo goed in het grote archief gestort worden.

Ook het opsporen en verwijderen van oude junkmail en andere overbodige post die nog ergens in je mailbox verscholen ligt is niet nodig, zegt Drijver. Bijna alle e-maildiensten bieden genoeg opslagruimte om hele jaargangen aan webshop-nieuwsbrieven in op te slaan. Ze liggen niet in de weg en je hoeft ze nooit meer tegen te komen. Wil je toch graag ruimte maken, dan biedt wederom de zoekfunctie uitkomst. Met de term ‘unsubscribe’ of ‘uitschrijven’ hengel je de nieuwsbrieven eruit. En door te zoeken op mails met bijlagen groter dan 2MB kun je snel de grootste bestanden verwijderen.

5. Houd het bij

Nu je inbox leeg is, is het natuurlijk zaak dit zo te houden. Zorg dat je je mailbox altijd leeg achterlaat en loop wekelijks door de mappen om te kijken of je iets hebt gemist en om inmiddels afgehandelde berichten te archiveren. Is het toch weer een rommeltje geworden, pas dan de ‘terug van vakantie’-aanpak toe.

Over vakantie gesproken: bang om na een ontspannend verlof weer de werkstress in gekatapulteerd te worden door een ontploffende mailbox? Dan geeft Jelle Drijver nog de tip om, zeker als je langere tijd weg bent, in je out-of-office-reply te vermelden dat alle in die periode ontvangen berichten helemaal niet gelezen zullen worden, met het vriendelijke verzoek om voor belangrijke zaken na de vakantieperiode nog eens te mailen. ‘Zo leg je de verantwoordelijkheid bij de ander en zul je zien dat de meeste mensen in de tussentijd zelf op zoek zijn gegaan naar een andere oplossing.’

Je hoeft natuurlijk niet daadwerkelijk alle mails ongelezen weg te gooien, maar het geeft rust te weten dat je niet overal op terug hoeft te komen. En je hebt binnen no time weer een lege brievenbus.

Stel standaardantwoorden in

Stuur je vaak min of meer hetzelfde mailtje? Dan kun je tijd besparen door standaardantwoorden aan te maken, waarin je alleen nog maar enkele details hoeft in te vullen. En ja, dit is ook sneller dan het opzoeken en copy-pasten van een eerder verzonden mailtje.

6. Voor wie het aandurft: geen ongelezen e-mails meer

Wat het beleid rondom ongelezen berichten betreft zijn er twee soorten mensen op de wereld: degenen die ongelezen berichten zo snel mogelijk lezen, of in ieder geval openen, om dat vervelende rode bolletje of die vetgedrukte (1) weg te krijgen, en zij die dat getal gerust laten oplopen in de honderden of zelfs duizenden. Die alleen de relevante berichten openen en de rest onaangeroerd laten.

Voor de eerste groep, de mensen die getergd worden door rode bolletjes met cijfertjes erin, heeft Richard Wolfe een ietwat gewaagde oplossing (‘dit vinden mensen altijd heel eng’): alle binnenkomende mails direct laten markeren als gelezen. Dit kan door in het instellingenmenu een filter (Gmail) of een regel (Outlook) aan te maken. Zo zien al die nieuwe berichten er een stuk minder urgent uit. Je hoeft niet bang te zijn om iets te missen als je je aan de regel van de lege inbox houdt. En heb je meteen nog een belangrijke reden om die plek voortaan opgeruimd te houden.

Het nut is verslagen door luxe en design bij de nieuwe Volvo – Bas van Putten

Volvo’s kun je tegenwoordig recenseren voor je er een meter mee gereden hebt. De huisstijl is een copypaste-totaalpakket. Je kent dashboard, interieur, automaat en motoren van de S90 en V90, de XC40, XC60 en XC90. Je weet hoe ze rijden, niet te hard en niet te zacht. Hoe ze sturen, niet te scherp en niet te week. Hoe ze ruiken en voelen: heerlijk.

Ook de nieuwe V60 heeft het moeilijk te beschrijven Volvo-DNA dat de transitie van elitebaksteen naar shiny executive hoopgevend heeft overleefd. Achter de premium-façade van chroom, hout, aanraakschermen en wit leer waakt degelijke Zweedse orde over de rustgevende synergie tussen mens en auto. Het fijne grote touchscreen met vrijwel alle bedieningsfuncties is de witte raaf in zijn rampengenre. Het oude welbehagen is geconserveerd, die merkcultuur van meesterlijke stoelen en vijfsterrenzorg voor de inzittenden. Op een iets te snel genomen verkeersdrempel worden spontaan de gordelspanners aangetrokken. Dan weet je dat die auto om je geeft. Mooi is hij ook nog.

Een moeilijk te verwerken stijlbreuk is de motor. Hij is het sporthart in een seniorenlijf. Het is een tweeliter viercilinder turbo met 310 pk, het lijf een vierwielaangedreven station met een leeggewicht, hallo, van 1724 kilo. Op papier mankeert aan de prestaties niets. De trekkracht van 400 Newtonmeter zou voldoende moeten zijn. Zolang je niet het uiterste van hem vraagt, is de V60 inderdaad een kalme, stille auto. De pijn zit in de kramp waarmee de turbo zijn vermogen levert als dat wél moet. Dan schoffeert hij bruusk de zachte, adellijke toon van de klassieke vijfcilinders die Volvo wegens te hoge emissiewaarden uit productie heeft genomen. Bij vol optrekken verslikt de achttraps automaat zich in de ongewenste plicht tot harde actie en het met turbo-hightech opgeblazen miniblokje ridiculiseert het standsgevoel met proletarisch blèren. En dan is dit nog wel de krachtigste benzine-variant. Cultuurloze testosterontechniek.

Royale vijf- en zescilinders? Afgeschaft. Alle leverbare motoren zijn tweeliter viercilinders, diesels en benzines in twee respectievelijk drie sterktegraden, plus een plugin-hybride. Die downsizing had met lichtere modellen vast milieuwinst opgeleverd, maar het structurele overgewicht van nieuwe Volvo’s heeft dramatische gevolgen voor de emissiewaarden; 171 gram CO2 per kilometer en een E-milieulabel zijn stevig en een niet gering praktijkverbruik van krap aan 1 op 10 maakt het nog erger. Financiert Volvo zijn kostbare elektrificatieplannen soms met een moratorium op gewichtsbesparende technologie? Neem dan in godsnaam maar een diesel, die loopt rustiger. Het regenwoud was toch al dood.

Niet meer voor de Volvo-hoogleraar

Hoe relatief is vooruitgang. Net kocht ik uit nostalgie mijn vierde Volvo, een S60 T5 van 2001. De wittebroodsrit was een leerzame ervaring. De grote turbo-vijfcilinder klinkt altijd beschaafd en stressvrij. Hij haalt op lange reizen 1 op 13. Hij zit zo goed als een nieuwe. En hij is véél sneller. Als reiswagen is het tweedehandsje op majeure punten te verkiezen boven de V60. De met hightech volgestouwde test-V60 schuift ze-ven-en-tach-tig mille; de Volvo-hoogleraar van vroeger koopt maar een Renault. De mijne kreeg ik inclusief wit leer, automatische klimaatregeling en de voortreffelijke stereo voor vijf mee. Daar wil ik die bemoeizuchtig meesturende assistentiesystemen wel voor missen. Het Zen-gevoel kan zonder.

Welke plaats heeft de V60 in een gamma dat tot dusver op grote, functionele stations leunde? Hij verstouwt 120 liter meer bagage dan zijn voorganger, die er uitsluitend voor het oog was. En met zijn rechte achterruit lijkt hij meer op een station dan de grotere V90. Maar geen van beide kunnen ze tippen aan de 1.600 liter opslagruimte van de vorig jaar gesneefde V70. Bij de haast even lange V60 zijn het er 1.364. Teleurstellend.

Van de 1.82 meter lange laadvloer gaat het gat tussen voorstoelen en achterbank nog af. Wel is de vloer vrij vlak, zodat ik er met opgetrokken knieën kantje-boord de nacht kan doorbrengen. Veer met beleid op uit een nachtmerrie, het dak is laag. Op handen en voeten zit ik met mijn rug al tegen het plafond, waar natuurlijk nog wel plaats was voor twee premium-luidsprekers plus panoramaschuifdak. Behalve in het zitcompartiment, dat voor en achter ruim is, werd het nut met modieuze glans door luxe en design verslagen. Voor ruimte mag de Volvorijder à raison van minstens 76.000 euro naar een XC90 uitwijken. Die Gooise SUV slikt alles, maar was de Grote Stationcar niet altijd Volvo’s handelsmerk? Einde oefening. Te gewoontjes.

Engelse les aan peuters, moet dat nou? – Aleid Truijens

‘Hellooo, children! My name is Benny!’ Handpop Benny heeft het druk. Eerst trad hij, het olijke gezicht van het lesprogramma Earlybird, vooral op in groep 1 en 2, nu is hij ook populair in de kinderopvang.

Op negentig Nederlandse kinderdagverblijven, lees ik in het AD, leren jonge kinderen Engels. De altijd goedgemutste Benny met zijn gekke puntneus spreekt alleen Engels, met de leidster als buikspreekster. Op filmpjes is te zien hoe Benny leert wat een ‘tree’ is en een ‘leaf’. Hij wappert met een geel blaadje, terwijl hij dansend het Yellow-lied zingt. Hij wijst naar de rok van een meisje. ‘Geel’, zegt ze verlegen.

Engelse les aan peuters, moet dat nou? Is dat niet een beetje vroeg?

Het vroeg leren van een tweede taal heeft voordelen. Peuterhersenen zijn kneedbaar. Het leren van meer talen vergroot de taalvaardigheid en het taalgevoel; kleine kinderen leren verbazend snel nieuwe talen.

En natuurlijk, de internationalisering. Wie niet goed Engels spreekt kan niet meedoen. In mijn Amsterdamse buurt, waar veel bedrijven zitten en veel expats wonen, word ik in winkels en cafés aangesproken in het Engels. Rondom de zandbak hoor ik alleen maar Engels, met allerlei accenten. Tweetalige dagverblijven hebben geheid klanten.

Een tweede taal verdringt het Nederlands niet, zeggen taalonderzoekers. Maar dan zijn er wel twee voorwaarden. De belangrijkste is dat kinderen het Nederlands goed beheersen voordat ze Engels leren. Bij veel peuters in de grote steden is dat niet zo, zeker als ze thuis Arabisch, Turks of een andere taal spreken. Voor hen is Engels de derde taal. Het gevaar is dat ze later drie talen gebrekkig spreken.

De tweede voorwaarde is dat er niet minder tijd en aandacht gaan naar het Nederlands. Dat is in de praktijk moeilijk: Benny’s vrolijke gebabbel neemt tijd in beslag die anders was besteed aan Nederlandse taallesjes, Nederlandse liedjes of Nederlandse kringgesprekken over boomblaadjes. Ook voor andere vakken moet tijd overblijven.

Het Engels komt toch wel binnen. Kinderen worden overspoeld door Engels, in games, op internet, in filmpjes, chats en muziek. Het gaat vanzelf. Ze kunnen naar een tweetalige middelbare school en daarna een studie in het Engels doen, met een stage in het buitenland. Zo doen we internationaal lekker mee.

Maar als je Nederlands wilt behouden als cultuurtaal, zul je wel iets moeten ondernemen. Een taal waarin wordt nagedacht, recht gesproken, grappen gemaakt, spot gedreven en les gegeven, waarin ideeën worden ontwikkeld, boeken geschreven en gevoelens geuit. Een fijnmazige taal met alle mogelijke registers en abstractieniveaus. Zo’n taal moet je goed onderhouden, om te beginnen in het onderwijs.

Benny, de verengelsing van de universiteiten, de tweetalige havo/vwo’s, de ontlezing, de impopulariteit van de studie Nederlands (toen ik dat ging studeren de meest gewilde studie, waarvoor je moest loten) – ze hebben allemaal met elkaar te maken. Net als de afnemende Nederlandse woordenschat van middelbare scholieren en de afkeer die ze hebben van het ‘kapot moeilijke’ vak Nederlands. We laten het Nederlands als cultuurtaal welbewust wegzakken.

Dat is een kwestie van onderwijsbeleid. Het behoud van het Nederlands kun je niet aan de markt overlaten. Peuters die spelenderwijs Engels leren, dat doet het goed in de marketing. Aanbevelingen als ‘hoogwaardig moedertaalonderwijs’ of ‘aandacht voor Nederlandse kinderboeken’ klinken nogal suf. Ze leggen het af tegen Benny en trawanten. Geen ouder wil een benepen provinciaal of een achterblijver zijn. Begrijpelijk. Maar wie wil er nu echt dat het Nederlands afzakt tot een oubollig huis-tuin-en-keuken-taaltje? Toch gebeurt dat als we niet uitkijken.

Laat je niet gek maken op kantoor – Japke d. Bouma

Ik zeg het jullie maar eerlijk: toen ik afgelopen maand ergens op een berg over de Stille Oceaan stond uit te kijken besloot ik te stoppen met deze rubriek. Zeker, ik had eind juni gezegd dat ik in september zou terugkomen, maar daar op die top, los van alles, dacht ik ineens: ik schrijf al sinds 2012 over het kantoor en het is een keer mooi geweest.

Maar toen ik vorige week, terug in Nederland, mijn Twitter weer aanzwengelde, besefte ik dat ik er niet zo makkelijk vanaf kom – ik kan jullie niet alleen laten op kantoor, zo simpel is het. Want man man man, wat een kantoorleed stond er weer in mijn mentions te wachten.

Mensen worden gestoord van alle gewichtigdoenerij op kantoor. Een lezer schreef me dat ze helemaal klaar is met alle ‘content huddles’ op haar werk, de ‘must-win battles’ en de ‘deep dives’ met een ‘sense of urgency-gevoel’. Een ‘content huddle’ blijkt een soort vergadering te zijn, maar ik heb geadviseerd om op een plek waar zoveel oppervlakkigheid heerst, niet te diep te gaan ‘diven’.

O vreselijk, al die onnozele hypes die ineens opduiken op kantoor. Een grote groep lezers komt amper nog aan werken toe door alle ‘stand-ups’, ‘retrospectives’, ‘sprints’ en ‘denkhoedensessies’ waar ze aan moeten meedoen. Een twitteraar schreef dat er op zijn werk af en toe ‘een oploop van inhoudelijken’ werd georganiseerd om tot ‘verbindende cirkels’ te komen. En dan maar hopen dat ze op het eind van de dag al die cirkels weer uit elkaar krijgen.

Een andere lezer had een vacature gezien met ‘impact players die de business versnellen, hands-on werken, business driven zijn en strategisch sterk’. Is dat misschien iets met rugby? En wat is ‘pipeline en partnermanagement’ in godsnaam, vroeg een ander. Vraag maar aan je vriendin, heb ik hem geantwoord.

Iemand enig idee ook wat ‘het denken in concrete bouwstenen’ zou kunnen zijn, in de zin: ‘het denken in concrete bouwstenen kan helpen in het realiseren van een gezonde organisatiecultuur in de financiële sector’? Ik heb teruggeschreven dat ik denk dat het betekent dat je gaat zitten nadenken in een stenen gebouw, maar ik heb wel een slag om de arm gehouden.

Of wat dachten jullie van Schiphol dat „met een nieuwe contentstrategie is getransformeerd van procesgedreven organisatie tot human brand”. Dat is geen menselijk vuur, ik heb het even opgezocht, maar een menselijk merk. Maar wacht even. Schiphol, een merk? Volgens mij is het gewoon een luchthaven waar je niet aan ontkomt als je op vakantie gaat.

Of neem de KNVB die een ‘activatiemanager’ zocht, iemand die ‘ideeën tot leven brengt, voor draagvlak zorgt en overgaat tot excellente executie’. Dat is toch zinloos, schreef een twitteraar: ideeën tot leven brengen en ze dan executeren?

Ja, dat is zinloos.

Wat ik met al die ellende ga doen, tot de volgende zomer? Nou, ik blijf in ieder geval jullie schouder om op te huilen op het gebied van kansloos management en gebakken luchtpraatjes en ik blijf de mensen die het over ons uitstorten bellen, om te achterhalen wat ze nou eigenlijk echt bedoelen. Je weet het niet, misschien missen we iets.

Zo zou ik misschien die man op LinkedIn kunnen bellen, tipte een twitteraar me, die ‘de groei van procesverbeteraars katalyseert’. Wat zou zo iemand de hele dag doen? Of de ‘lokale doorbraakofficier’ die bij een lezer op zijn werk ‘op zoek was naar co-gecreëerde kennis om daarmee handelingsmogelijkheden te vergroten’. „Er bestaan pilletjes tegen doorbraken”, adviseerde een andere twitteraar.

Ik kan misschien ook eens iemand bellen met een onbegrijpelijke functietitel, want dat gaat ook maar door, hè. Als je dacht dat je alles had gehad na de ‘chapter lead’, de ‘improvement specialist’ en de ‘customer happiness officer’, zet dan de spatschermen maar omhoog tegen de ‘brand warrior’, het ‘service kanon’, de ‘retail jedi’ en de ‘social samurai’ die in de kantoorarena hun messen aan het slijpen zijn, zo signaleerde de site ondernemer.nl. Ik denk dat ik zelf maar ‘warlord’ word.

Maar ik wilde ook wat meer experts gaan ondervragen over de vraag hoe je gelukkiger wordt op je werk, want er gaan nu nog te veel mensen met tegenzin naar kantoor. Maar bovenal, en dat wordt écht het thema de komende weken, ga ik proberen jullie te helpen om niet gek te worden op je werk.

Om daarmee maar meteen van start te gaan, geef ik alvast een tip waarvoor ik even terug moet naar de berg aan het begin van dit verhaal, of eigenlijk naar het pad naar die bergtop toe. Want op de top krijg je toch maar rare ideeën. De tip is: geniet eens wat vaker van je uitzicht, ook als je nog lang niet op de top bent.

Nu jakkeren we namelijk vaak maar voort, zeker na de zomervakantie. Oogkleppen op en ‘scrummen’ maar tot de Kerst, even een paar weken de tandjes op elkaar met onze ‘backlogs’ en ‘black belts’, dan kun je daarna weer in elkaar zakken.

Nee dus, zou ik zeggen.

Want ook op weg naar je volgende vakantie is er al genoeg in je leven om je op te verheugen: de onweerstaanbare mondhoek van je collega, de dauwdruppel op een roos in het plantsoen, een zonnestraal op de printer, een glimmende punaise, een tafel vol vrienden, de snorharen van je kat, een grap van je kind, het glanzende kaftje om een volstrekt nutteloos rapport, de regen die goddank weer tegen de ruiten klettert – er is zoveel om te koesteren. Laat die ‘scrum masters’ lekker kletsen.

Want de wereld is geen „assessment center”, zoals minister Wiebes het vorige maand in Zomergasten zei, de wereld is zoveel meer. Kijk om naar je dierbaren en je familie zolang het nog kan, adem in, adem uit en stap eens wat vaker halverwege uit de lift, om te genieten van wat je al bereikt hebt.

En als je écht niets hebt om op uit te kijken en je met je ‘scrumteam’ verbannen bent naar de kelder, bedenk dan dat we ooit een ‘meeting’ weer een vergadering zullen noemen en er ooit een wettelijk verbod zal komen op alle termen waarin ‘agile’ voorkomt en tot die tijd hebben we elkaar. Hou vol.

Laat je niet gek maken op kantoor.

Uw kind kan stikken – Rosanne Hertzberger

Wij kochten een opblaasbaar zwembadje voor onze oudste. Het is een wonder dat hij dat overleefd heeft. Op het blauwe plastic stond de waarschuwing voor zijn verdrinkingsdood in 27 talen. ‘Zonder toezicht is het leven van uw kind in gevaar’. Verderop: ‘Children have drowned in portable swimming pools’. Zo praten fabrikanten tegen ouders. ‘Let een beetje op’ is niet genoeg. Zoals er plaatjes van verkankerde longen op sigarettenpakjes prijken worden zwembadjes beplakt met de overlijdensberichten van verdronken kinderen. Er stonden trouwens nog meer waarschuwingen op ons zwembad: kinderen konden kleine onderdelen inslikken. En oudere kinderen kunnen zomaar besluiten om in het 20 centimeter diepe water te duiken en daarbij verlamd raken. ‘Inflate your fun’ is de slogan van het product.

Het went nooit echt, dat levensgevaar waarin onze kinderen zich telkens bevinden. Vooral de kleinste balanceert permanent op het randje van de dood. Voor moeders die daar niet 24 uur per dag bij stil staan zijn er gelukkig genoeg waarschuwingen om haar eraan te helpen herinneren. Uw kind kan stikken in de draagzak. Doodvallen uit zijn stoel. Gewurgd worden door de riempjes. Hij kan verpakkingen over zijn hoofd trekken. En alles wat kleiner is dan een tennisbal kan hij inslikken. Als u uw kind een nachtje per ongeluk te warm hebt aangekleed, is dat niet gewoon een beetje onprettig voor hem. Warmtestuwing is een oorzaak van wiegendood. Houd uw kind geen seconde in de zon. Niet omdat een rood randje pijn doet. Nee, zon leidt tot huidkanker, en van huidkanker ga je dood.

Kook je flesjes. Kook je speentjes. Kook je kolfonderdelen. Driemaal daags en nog een keer, voor de zekerheid. Verwarm je flesje, maar pas op voor hete plekken, want je kind verbrandt zijn tong. Volg een kinder-EHBO-cursus voor het geval hij dreigt te stikken bij het drinken. En giet de moedermelk door de gootsteen, na een uur, want die wordt niet zomaar een beetje zuur. Binnen de kortste keren zwermen er enge bacteriën in rond. Borstvoeding is levensgevaarlijk. Flesvoeding is nog erger.

En als het donker wordt, zoekt de dood naar kieren en ramen om uw huis binnen te sluipen. De belangrijkste risicofactoren zijn bekend: buikslapen, roken, dekbedjes. Maar er is altijd meer wat je kan doen. Een veilige kinderkamer lijkt op een isoleercel. Geen speeltjes, geen knuffeltjes. En houd de baby te allen tijde in de buurt. Wist u dat er wel eens een kindje in een hemeltje is gestikt? Slapen is het veiligst met permanente bewaking van een oplettende ouder. Zelfs de producent van het reiswiegje verzekerde me dat mijn kind zonder toezicht gevaar loopt. (Ik beken eerlijk dat ik misschien per ongeluk toch een keer mijn ogen heb durven sluiten.) Maar té dichtbij is ook niet zonder risico. Wie na een nachtvoeding in slaap valt naast het kind, brengt hem in groot gevaar. Houd jezelf dus wakker, desnoods met pijnprikkels. Flitslichten. Harde muziek. Of voed alleen in kaarsrechte positie op een hard bankje. Het zijn heus niet alleen olifanten die hun kind per ongeluk dooddrukken.

Het ergste is dat al die veiligheid effectief is. Waarschuwingen hebben alleen maar winnaars. Elk jaar sterven minder baby’s dankzij de permanente noodtoestand die in huishoudens met jonge kinderen heerst. Nederland had in 1985 191 gevallen van wiegendood, in 1995 nog maar 48. En in 2015 maar 7. We hebben het spelletje bijna uitgespeeld. En die veiligheid is ogenschijnlijk gratis. De effecten van de angst zijn nauwelijks in cijfers te vangen. En zoja, wie geeft er dan om een paar honderdduizenden gevallen van nachtzweten, of vermoeidheid, of dat piepkleine beetje verlies van onschuldig speelplezier als je daarmee jaarlijks één kinderleven kan redden. Of een halve. Of een tiende.

Herhaal dus duizendmaal: mijn kind kan stikken. Mijn kind kan vallen. Mijn kind kan op zijn buik draaien en dan alsnog sterven. Slaap is levensgevaarlijk. Maar vergeet het vooral niet veel te doen. Want niet slapen is erger. Oververmoeide moeders maken fouten, en fouten leiden tot de dood. Na korte nachten vol koortsdromen over dode baby’s, kunt u gefrustreerd raken. Leg uw schreeuwende kind dan in zijn bed en probeer ergens anders tot rust te komen. Dit alles in verband met de veiligheid. Het zou niet de eerste keer zijn dat een wanhopige moeder haar kind door elkaar schudt, met de dood tot gevolg. Voelt u zich trouwens wel eens overbezorgd? Angstig? Ook dat is levensgevaarlijk. Het zou een depressie kunnen zijn en we weten allemaal wat depressieve moeders wel eens doen.

Het is hoog tijd om ons recht op stilte terug te eisen – Sander van Walsum

We maken met zijn allen steeds meer lawaai. Veel daarvan is zinloos, het bijproduct van onze vrijheid. Sander van Walsum roept op om elkaar er toch maar weer eens op aan te spreken.

Sommige dingen meen je zeker te weten. Dat we elkaar blootstellen aan steeds meer lawaai bijvoorbeeld. Zeker als het land in zomerse genoegens wordt gedompeld. Motorrijders trekken er in kuddeverband op uit met helse machines die veel harder knetteren dan nodig is. Stadse buitenmensen installeren hun kookeilanden, loungehoeken en geluidsapparatuur in de tuin of op het dakterras zodra de thermometer de 15 graden Celsius overschrijdt. Een uitdijende schare hobbyisten verricht met boor- en schuurmachines achterstallig onderhoud aan huis en tuin. De kinderen van mijn overburen schreeuwen veel harder dan ik mij van vorig jaar herinner. Hun schelle stemmen dringen, als er weer een twist ontstaat bij de trampoline, via geopende balkondeuren tot alle omwonenden door. En hun ouders denken dat dit er nu eenmaal bij hoort, bij kinderen hebben.

Het circuit van Zandvoort is bij aanlandige wind op grote afstand hoorbaar. Prins Bernhard, aan wiens naam sinds kort niet meer ‘junior’ wordt toegevoegd, wil daar ook nog eens formule 1-races laten verrijden. Als inwoner van Haarlem moet ik daar niet aan denken: nu al wordt de lucht boven het Kennemer land enkele weekenden per jaar verscheurd door de herrie waaraan autoliefhebbers zich tegen betaling blootstellen. En dan zijn er nog de achthonderd muziekfestivals die elk jaar in Nederland worden gehouden. De bladblazers. De toeristen met hun rolkoffers. De doffe dreun die opklinkt vanuit passerende auto’s. Uitgaand publiek dat passanten schreeuwend deelgenoot maakt van het eigen vertier. En sinds zeer kort is daar nog een nieuwe bron van lawaai aan toegevoegd, horend bij een nieuwe liefhebberij: het gezoem – het akoestisch equivalent van enkele forse muggen in je oorschelp – van drones die in parken, op het strand en op open plekken in het bos worden opgelaten. Soms vliegt zo’n drone gezellig een stukje met de passerende wandelaar mee.

Consumeren

Waar mensen zijn, is lawaai. En het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld – tot ruim 17 miljoen. Al die mensen zijn enthousiast aan het consumeren geslagen. Veel van hun consumptieartikelen produceren lawaai. Zinloos lawaai. Geen lawaai dat de industriële samenleving nu eenmaal vergezelt – het geluid van de bouwnijverheid, van vrachtwagens en sneltreinen – maar lawaai dat uitdrukking geeft aan een bepaalde leefwijze, die vaak voor levenskúnst wordt gehouden.

Het zijn relatief nieuwe geluiden. En ze horen bij een samenleving die de sociale controle min of meer heeft afgeschaft. Veroorzakers van akoestische vervuiling worden dus zelden op hun gedrag aangesproken (wat in het geval van motorrijders ook praktisch ondoenlijk is). En wie hinder ondervindt van akoestische vervuiling, huivert vaak om daar uiting aan te geven. Wie zich bij een buurtgenoot beklaagt over een middernachtelijk tuinfeest, voelt zich toch een beetje een lul. Een fatsoensrakker – zoals in de jaren zestig een categorie burgers werd omschreven waar niemand bij wilde horen. Iemand die anderen hun feestje wil ontzeggen. Ikzelf heb het enkele maanden geleden toch een keer geprobeerd, nadat een feest bij een van de achterburen zich van binnen naar buiten had verplaatst. Mijn interventie, in ochtendjas, resulteerde in een vruchteloze discussie over de vraag of in het weekend andere geluidsnormen golden dan door de week, en of 1 uur ’s nachts een geschikt tijdstip was voor een onaangekondigd tuinfeest. Zij vonden van wel. Ik vond van niet.

Wat zinloos lawaai voor de een is, is plezier en vrijheid voor de ander. De akoestische ruimte is openbare ruimte waarin belangen en opvattingen vaak botsen. Over het gebruik van die ruimte zijn ook moeilijk afspraken te maken omdat lawaai tot op zekere hoogte een subjectieve grootheid is. De een ervaart het gebeier van kerkklokken op de vroege zondagochtend als akoestisch onderdeel van een dorp of provinciestad. Voor anderen is het een onwelkome en ongevraagde resonantie uit de tijd waarin de kerk het nog voor het zeggen had.

Toch is het niet gezegd dat het lawaai dat in Nederland wordt geproduceerd in dezelfde mate is gegroeid als de bevolking. Een paar jaren geleden was in Amsterdam een tentoonstelling ingericht over het geluid van de grote stad – vroeger en nu. Onderdeel van die tentoonstelling was een simulatie van het lawaai dat in 1935 hoorbaar moet zijn geweest. Wat bleek: destijds was veel meer sprake van harde, naast elkaar staande geluiden: piepende trams, toeterende auto’s met ontploffingsmotors en rammelende carrosserieën, schreeuwende marktkooplieden, het geluid van werkplaatsen die toen nog in de stad waren gevestigd. Het geluid van toen was volgens Karin Bijsterveld, hoogleraar Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur aan de Universiteit Maastricht, chaotischer, nerveuzer en – mogelijk – meer belastend dan de permanente ruis van de hedendaagse stad.

Het karakter van sommige geluiden is bovendien veranderd. Neem de auto. Het aantal auto’s op de Nederlandse wegen was in 1935 weliswaar veel kleiner dan nu, maar ze produceerden destijds wel meer lawaai. De ontploffingsmotor deed zijn naam nog eer aan. Zijn lawaai was onderdeel van het statussymbool dat de auto was, toen nog meer dan nu. En het toeteren werd lange tijd door de overheid aangemoedigd. Omwille van de verkeersveiligheid. Aan die herrie viel destijds wel makkelijker te ontkomen dan aan het alomtegenwoordige geruis van nu. Vroeger trad buiten de bebouwde kom de stilte in. Nu moet de Randstedeling daarvoor de koffers pakken. En dan nog is het de vraag of hij in Vierhouten of de Achterhoek niet op een rally van oldtimers wordt getrakteerd.

De geluiden van de nieuwe tijd bleven overigens niet onweersproken. Zo werden in het holst van de jaren dertig, de economische crisis en het opkomend fascisme ten spijt, stilteacties gehouden tegen noviteiten als de autoradio. De antilawaai-activisten – beschavingsmissionarissen, in hun eigen ogen – zagen hun inzet vaak met succes beloond. Het genot van de autoradio, en later van de transistorradio en de gettoblaster, werd vergaand ‘geprivatiseerd’. De ‘hamerende beroepen’ – smederijen, blikslagerijen en slotenmakers – verdwenen uit de binnensteden, voor zover ze al niet door de tijd waren ingehaald. En zo zal ook de rolkoffer zoals wij die kennen uit de toeristencentra worden geweerd en zal het geluidsniveau van muziekfestivals worden begrensd. In verschillende Amerikaanse staten is de bladblazer al in de ban gedaan. Ooit behoorde het recht om in een stille straat te wonen tot de arbeidsvoorwaarden van hoogleraren. Nu komt het iedereen toe.

Recht op vertier

Maar in een overvol land als het onze staat het recht op stilte van de een al snel op gespannen voet met het veronderstelde recht op vertier van de ander. In 1967, toen het ‘nieuwe Schiphol’ in gebruik werd genomen, deden ruim drie miljoen vertrekkende, aankomende en overstappende passagiers de nationale luchthaven aan. Nu komen er elk jaar ongeveer zoveel passagiers bij, tot ruim 63 miljoen in 2016 – 21 maal meer dan in 1967 en tweemaal meer dan in 1997. Maar nog steeds wordt het recht op grenzeloze mobiliteit – een gekoesterde verworvenheid – niet ter discussie gesteld. We willen anderen hun feestje niet ontzeggen. We willen onszelf ons feestje niet ontzeggen. We willen de vrijheid van de consument niet beknotten. Dus volstaan we met de bestrijding van de groeisymptomen. De vliegtuigen worden stiller. Luchthaven Lelystad voldoet toch aan de geluidsnormen. Airbnb wordt aan banden gelegd. En de rolkoffers krijgen zacht rubberen wieltjes. Maar het recht van de toerist om voor een paar tientjes naar Barcelona te vliegen, blijft onaangetast. Met alle gevolgen van dien voor steeds meer omwonenden van Schiphol en – straks – van Lelystad.

Lawaai is tenslotte het bijproduct van vrijheid. En vrijheid, daar kom je niet aan. Wie in vrijheid wil leven, moet enig lawaai verdragen. Mensen die een dictatuur hebben meegemaakt, herinneren zich onder andere de stilte. De stilte van de avondklok, van het gereglementeerde openbare leven, en van de angst om de aandacht op zichzelf te vestigen. Stilte roept al gauw een gevoel van beklemming op. De bevrijding van de opgelegde stilte gaat gepaard met vreugdevuren en lawaai. Lawaai vergezelt de ontketening.

Er wordt dus veel lawaai gemaakt in Nederland. De indringendste bron van herrie is die van de motorrijders die deze dagen collectief de nieuwe zomer vieren. De luidste motoren zijn zo aanstootgevend omdat het lawaai essentieel is voor het particuliere genoegen van de berijder. Die eist eenzijdig een grote hap van de openbare ruimte voor zichzelf op. Elke zonnige dag opnieuw. En niemand die zijn recht om lawaai te maken ter discussie stelt. De wetgever niet, mogelijk uit beduchtheid voor de electorale consequenties. De politie niet, omdat die wel wat beters heeft te doen. En de medeburger niet, omdat die zichzelf in lijdzaamheid heeft geoefend. Zinloos lawaai? Het hoort er nu eenmaal bij.

Liever sluit hij zich op in zijn eigen akoestische cocon. Met koptelefoons en, meer recent, individuele geluidszones kunnen meerdere mensen in één ruimte gelijktijdig naar hun eigen muziek luisteren. Lawaai of stilte als individuele opties; mensen die hun eigen weg gaan – de een in een wolk van volmaakte stilte, de ander in een wolk van, al dan niet te luide, muziek. Om de een of andere reden klinkt het niet erg aantrekkelijk. De openbare akoestische ruimte verwordt tot een niemandsland waarvoor niemand zich nog verantwoordelijk voelt.

Het lawaai moet niet worden gemaskeerd of ingekapseld, het moet zo veel mogelijk worden uitgebannen. Door het aantal luchtreizen per burger te rantsoeneren. Door lawaaiige voertuigen van de wegen te weren. En door de sociale controle over de openbare ruimte te herstellen. Spreek de buren toch maar aan over die eeuwig blaffende hond of over een onaangekondigd tuinfeest – op het gevaar af voor fatsoensrakker te worden gehouden. Zo kom je nog eens in gesprek met mensen die je anders alleen maar zou horen.

Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.” – Floor van Liemt

Het stormt vandaag. Op het station lopen mensen met stevige pas in alle richtingen. Een vrouw rent met een treurig boeket in haar hand, de meeste bloemen hebben hun blaadjes moeten afstaan aan de wind. Voor het scherm met vertrektijden staat een menigte met verwarde blik te turen. Het is nat, koud en chaotisch.

Ik heb maar een klein stuk moeten rennen en toch arriveer ik uitgeput op spoor 5. De trein zit bomvol, het is de enige die nog gaat. Met moeite wurm ik me tussen de mensen die als sardientjes in een blik in het treinstel staan. Rechts van me een meisje van mijn leeftijd met een enorme rugtas die in mijn gezicht drukt, links een neuroot die met iedereen een praatje probeert te maken. Achter me probeert een Italiaanse jongen zijn vriendin te kalmeren, wier gezicht wel heel erg wit ziet. Dit lijkt mij in verband te staan met de enorme wietlucht die om haar heen hangt, maar bezorgd buigen omstanders zich over haar heen.

Alsof zíj degene is die ziek is.

Met mijn neus sta ik tegen het beslagen raam van de deur. Ik ben erg benauwd en word overvallen door een vlaag van paniek. Ik leg mijn hand op mijn buik en probeer me te concentreren op de ademhalingsoefeningen die ik van mijn yoga-lerares geleerd heb. Af en toe doe ik mijn ogen dicht. Zo weet ik mezelf af te sluiten van alle rumoer om me heen.

Ik voel me kwaad. Kwaad dat het rotweer is en dat ik in deze rottrein sta. Ik word nog bozer als we aankomen op Schiphol in plaats van op Amsterdam Centraal, en overstappen ook niet meer mogelijk blijkt. Heb ik met die kanker niet al genoeg pech gehad? Het voelt alsof iemand mij ongelooflijk zit te treiteren, maar ik weet niet wie. Ik weet niet op wie ik boos moet zijn.

Buiten sta ik in een rij met schreeuwerige toeristen te wachten op een taxi. Ik ben opgelucht als ik eindelijk in een auto zit. De chauffeur merkt op dat ik wel erg veel zucht. Dat is een gevolg van de benauwdheid. „Ja, ik heb een beetje stress”, antwoord ik, gevolgd door een kuchje. „Het heerst hè, beterschap”, zegt de man met een buitenlands accent dat ik niet kan plaatsen.

Hij moest eens weten, denk ik, maar ik dank hem en laat het daarbij. „Studeer je in Amsterdam?” vraagt hij geïnteresseerd. „Nee, in Utrecht.” „Oh, ga je dan bij iemand op bezoek?” „Nee, ik woon hier nu net.” „Is dat niet onhandig, als je in Utrecht studeert?” „Ik studeer nu even niet, want…” Er is geen ontkomen meer aan: „ik ben dus ziek.”

Door de spiegel kijken zijn lieve bruine ogen mij indringend aan. Voorzichtig vraagt hij wat ik dan heb. „Kanker. In de longen. Gek hè?” Ik probeer de boodschap niet te hard te laten klinken. De man schiet vol. „Ach, sorry dat ik emotioneel word hoor. Mijn zusje is eraan overleden.” Dan voel ik zelf ook een traan over mijn wang lopen.

We rijden door het drukke verkeer, de schitterende lichten en de hoge gebouwen. Buiten klettert de regen agressief op de grond. Maar binnen in de auto is het kalm. Ondanks de stilte voel ik me even heel erg verbonden met deze vreemdeling.

Als we bij mijn huis aankomen, zegt hij: „Ik zie dat jij heel sterk bent. Je ziet er niks van. Laat je niet gek maken.” Ik hoef niet te betalen. Als ik de taxi uitstap is de magie van verbondenheid weer verbroken. Onze wegen scheiden en beiden lossen we weer op in de grote stad. Ik voel me dankbaar.